|
||||||||
|
De jaren vijftig waren
saai en doods. Dat wordt tenminste vaak gezegd. Een tijd waarin iedereen
hard werkte en men ’s avonds gezamenlijk bij de kachel zat, naar de
radio luisterde of een krant of boek las. Sommigen noemen het wel de tijd
waarin geluk heel gewoon was. Mensen die deze jaren zelf hebben meegemaakt
denken er vaak aan terug met een mengeling van weemoed en onbehagen. Het
leven was begrijpelijk en duidelijk maar ook benauwend. Een tijd waarin de
handen uit de mouwen werden gestoken om een betere toekomst op te bouwen.
De meeste mensen hadden de oorlog meegemaakt en kenden de ellende van de
depressie uit de jaren dertig. Men wilde nu vaste grond onder de voeten
krijgen en zekerheid hebben. Het was een tijd van orde, regelmaat en
discipline. Een aantal
ontwikkelingen in Nederland vormde een duidelijke breuk met de situatie
van vóór de tweede wereldoorlog. Het werkgelegenheidsbeleid had succes. Tussen 1950 en 1960 kwamen er een half miljoen banen bij en tussen 1960 en 1970 nog eens bijna een miljoen. De werkloosheid was laag: 59.000 in 1950, 29.000 in 1960 en 44.000 in 1970. Met de groei van het aantal banen veranderde ook de structuur van de werkgelegenheid. Vooral in de jaren vijftig steeg de werkgelegenheid in de industrie sterk en nam de werkgelegenheid in de landbouw fors af. In de jaren zestig overtrof de groei de werkgelegenheid in de zakelijke dienstverlening en bij de overheid, die van de groei in de industrie. Nederland veranderde langzaam van een traditionele industriële maatschappij in een moderne diensten economie. Door de mechanisering van de productie en de
verbetering van de infrastructuur steeg de arbeidsproductiviteit. Minder
mensen maakten in minder tijd meer producten. Dit gold zowel voor de
landbouw als de Vanaf midden jaren
vijftig hadden de Nederlanders steeds meer te besteden. De
industrialisatie in de jaren vijftig en de groei van de dienstensector in
de jaren daarna, vroeg om hoger opgeleide werknemers Steeds meer jongeren
gingen langer naar school. Dit was ook mogelijk omdat de inkomens beter
waren geworden en het sociaal stelsel meer zekerheid gaf. In de jaren
zestig konden voor het eerst grote groepen jongeren uit de arbeidersklasse
naar de middelbare school. In 1950 volgde 19% van de 12-18 jarigen een
middelbare schoolopleiding. In 1965 was dit gestegen tot 31%. Door mechanisatie en schaalvergroting in de
landbouw veranderde niet alleen het boerenbedrijf, maar het hele
platteland. De melkbussen die in de jaren vijftig nog langs de weg
stonden, verdwenen en werden vervangen door melktanks. De blauwe wipkarren
met twee grote met ijzer beslagen achterwielen werden vervangen door
karren op luchtbanden waarmee met hogere snelheden kon worden gereden. De
kleine perceeltjes met houtwallen en slootjes maakten plaats voor grote
open velden. De korenschoven die men in de jaren vijftig nog op het land
kon zien en de korenbulten bij de boerderijen verdwenen met de komst van
de combine. Ook het geluid op het platteland werd anders. Geen geklepper
meer van paardenhoeven, maar het gesnor van machines en het gebrom van
vrachtauto’s. Door de groei van het aantal bromfietsen en auto’s
werden de geluiden van de natuur Ook de detailhandel veranderde in de jaren
vijftig en zestig. Er vond een steeds grotere concentratie plaats. Er
kwamen steeds meer zelfbedieningszaken en daarna supermarkten. Dit ging
vooral ten koste van de zelfstandige kruideniers, bakkers en groenteboeren
en slagers. Een gevolg van deze ontwikkelingen was dat mensen uit kleine
dorpen soms naar een andere plaats moesten om boodschappen te doen. Daar
stond tegenover dat de overblijvende winkels een groter assortiment
hadden en vaak veranderden in een supermarkt. Ook het persoonlijk leven van de Nederlander
veranderde sterk in de jaren vijftig en zestig. De gezinnen werden kleiner
en het aantal huishoudens nam toe. De mechanisatie van het huishouden
begon haar opmars. Eerst kwamen de stofzuigers, daarna de wasmachines en
de koelkasten. Na de vondst van aardgas in Slochteren stappen in de jaren
daarna steeds meer gezinnen over op gas. Steeds meer plastic en kunstof
artikelen kwamen in het huishouden. Plastic regenjassen werden tot
de komst van de auto veel gebruikt. De Nederlanders consumeerden steeds
genotsmiddelen. Het aantal liters bier per hoofd van de bevolking
verdubbelde in de jaren vijftig en het aantal sigaretten dat werd gerookt
nam in dezelfde periode
toe met 62%. Bekende reclame slogans voor sigaretten uit die tijd waren
“Chief Whip op ieders De arbeidstijd veranderde nauwelijks in de
jaren vijftig. Deze daalde tussen 1950 en 1960 slechts met 12 minuten per
week. Wel werden meer vakanties genomen. In 1950 ging 18% van de
bevolking minstens één keer per jaar op vakantie, in 1960 was dit
gestegen tot 30%. Maar men ging nog niet ver weg, het grootste deel bleef
binnen Nederland. Zie verder het tijdperk van de bromfiets en de radio en het tijdperk van de auto en de televisie.
|
||||||||