Vergeten Verleden
   


St. Maartensvloed 1686


In de nacht van 12 op 13 november 1686 stroomt het water de provincie Groningen binnen. Een aantal dagen daarvoor waaide de wind uit het zuidoosten, daarna uit het noordwesten en op de avond van 12 november plotseling uit het noordoosten. Het zeewater in de Noordzee en de Waddenzee was door de draaiende wind opgestuwd en met de daarop volgende noordwesterstorm kwam het water over de dijken. Noord Groningen en het Oldambt stroomden onder, maar ook andere delen van de provincie werden getroffen. Het dodencijfer was 1558 mensen. Een aantal van 631 huizen werd weggespoeld en 616 werd zwaar beschadigd. Er verdronken 1387 paarden en 7861 koeien. 



Zoals vaak na rampen, deden veel, soms apocriefe verhalen de ronde. In Bedum zouden koeien de wenteltrap in de pastorie zijn opgelopen en veiligheid hebben gezocht in de studeerkamer van de dominee. Elders ontdekten redders een varken die op de rug van een koe stond om aan het water te ontkomen. Ook werd een drijvend stuk hout gezien waarop een kat zat, terwijl daarnaast een stuk hout dreef met drie ratten, die niet door de kat werden aangevallen.

Dominee Hendricus Schenckel uit Meedhuizen, heeft een levendige beschrijving achtergelaten van de St. Maartensvloed. Het verscheen als "Kort en bondige Beschrijvinge van de Schrickelijke water-vloedt" in 1687. De dominee vluchtte met zijn vrouw, vijf kinderen, de dienstmaagd en de knecht naar de zolder van de pastorie waar zijn vijf dagen moesten blijven zitten. Schenckel dicht:

Soo dat's ons haeft ontbrack aen dranck en oock aen Eeten
Men klom de Ledder neer, men schepte met een kop
Dat brandend' water solt, het welck wy droncken op.

In het dorpje Meedhuizen zijn bijna alle huizen zwaar beschadigd en zes inwoners verdronken. Dominee Schenckel dicht hierover:

Mitthuysen 't welck beston' uyt ses-en twintigh Huysen
Daer sijn geen ses geheel gebleven van dit bruysen
De and're altemael zynd wand'of vensterloos
Geworden door den wint en desen vloed seer boos
Een Huysgesin geheel alhijr verdroncken is,
Zijnd' overrompelt van dees Vloet in duysternis
Noch sagh een Man sijn Vrouw, weg slingéren door de baren
En d'Ouders, Kind'ren twee op plancken heenen varen
De dooden sijn dan ses in ons Mitthuyser loegh