Vergeten Verleden
   


De Zuiderzeevloed 1916

Voor 14 januari 1916 had het al enkele dagen gestormd. Maar op die dag wakkerde storm aan tot ruim 100 km/u. In normale omstandigheden zou dit niet direct aanleiding zijn tot bezorgdheid, maar doordat het water in de Zuiderzee door de storm in de voorafgaande dagen al een hoog peil had bereikt, ontstonden overstromingen. Op veel plaatsen klotste het water over dijken, die van binnenuit werden beschadigd en vervolgens niet meer bestand waren tegen de druk van het water uit de Zuiderzee.
De Waterlandschen Zeedijk, die ten zuid westen van het toenmalig eiland Marken lag, werd over een lengte van 1,5 kilometer weggeslagen. Ook bij Edam brak een dijk door. Het hele gebied rond Edam, Purmerend, Broek in Waterland en Durgerdam stond volledig blank. Ook bij de Anna Paulownapolder braken de dijken door

Getroffen werd ook de benedengedeelte van de Gelderse Vallei. Men name in de streek tussen Eemnes, Spakenburg en Bunschoten. Het water stond ook in de straten van Amersfoort. 

De ramp had vooral materiele schade tot geval. Maar er vielen 16 dodelijke slachtoffers. Allen op het eiland Marken. Marken was alleen beschermd door lage kades, waar het water overheen stroomde. Verscheidene visserschepen werden op de wal gegooid en aan aantal eilandbewoners kon niet meer vluchten. Zo verdronken de drie zusjes Stoker die in een bedstee waren gevlucht, in de hoop dat het water niet zo hoog zou komen.

Maar ook buiten Noord-Holland ondervond men wateroverlast. In Friesland braken dijken door in de buurt van het Tjeukemeer en de omgeving rond Wolvega stond onder water. 

De hulp kwam snel op gang. De kerk in Edam werd een koeienstal, scheepjes voeren uit om mensen en vee te redden. De industrieel Bernard van Leer, van de latere van Leer vatenfabriek was sneller. Hij plaatste in het ochtendblad van 15 januari een advertentie met de kop "Wie helpen wil, helpe spoedig". Mensen werden opgeroepen levensmiddelen beschikbaar te stellen en deze naar het Rokin in Amsterdam te brengen, waar de schepen van zijn bedrijf ze naar het ramgebied zouden brengen 's Ochtends om elf uur vertrok al het eerste schip. Pas drie dagen later stond er een oproep van de Watersnoodcommisie in de krant.

De betekenis van deze ramp ligt niet alleen in het aantal slachtoffers en de materiele schade maar doordat deze ramp de besluitvorming over de afsluiting van de Zuiderzee versneld werd genomen. Niet iedereen was het trouwens eens met de afsluiting van de Zuiderzee. De Groningse hereboer Mansholt vond de afsluiting een onzinnige en gevaarlijke zaak, die nieuwe rampen zou veroorzaken. 
Het plan tot afsluiting van de Zuiderzee en inpoldering  van de zee was afkomstig van Ir.C. Lely. Op aandringen van Lely, die een aantal keren Minister van Waterstaat was, deelde koningin Wilhelmina in de troonrede van 1913 mede dat de tijd gekomen was om de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee te ondernemen. De eerste wereldoorlog gooide echter roet in het eten. Maar op 13 juni 1918 werd het wetsontwerp aangenomen om de Zuiderzee droog te maken. Op 28 mei 1932 was de afsluitdijk klaar en kon een begin worden gemaakt met de inpoldering.